'Gustave en wij' komt eraan.
Begin oktober verschijnt Gustave en wij, de nieuwe roman van Erwin Mortier
Wat als een weids negentiende-eeuws schilderij ineens tot leven zou komen en de personages vlak voor je komen staan, met een glimlach, maar ook met een vraag: zijn wij nu zo anders dan jij?
Zo brengt Erwin Mortier de vrouwen rond Gustave Flaubert weer tot leven. In Gustave en wij buitelen geschiedenis en verbeelding, biografie en roman voortdurend over elkaar heen. Schrijvers, geliefden, vrienden en tijdgenoten mengen zich in het gesprek. Geestig, scherp, teder, jaloers, baldadig, verliefd, ontgoocheld. Gaan kunst en politiek wel samen? Staat liefde de vriendschap in de weg? Of het leven het schrijven? Vuurt begeerte de pen aan, of maakt ze ons zwak?
George Sand, Louise Colet en vooral Juliet Herbert, de gouvernante die misschien wel de grootste onbekende uit Flauberts leven is, halen de schrijver van zijn voetstuk. Ze spreken hem tegen, dagen hem uit, ontmaskeren hem, troosten hem en geven hem zijn menselijkheid terug. Zo ontstaat een caleidoscopisch portret van een schrijver én van een eeuw die minder voorbij is dan ze lijkt.
Gustave en wij is een literaire ontmoeting over de grenzen van de tijd heen. Een roman over taal, liefde en verbeelding, over de mensen achter de monumenten, en over de kracht waarmee boeken ons nog altijd veranderen.
Lees een fragment.
‘Het is aan de wolken om ons op te frissen.’
(George Sand)
Hij spreekt me meestal aan met ‘Dierbare, geëerde collega’, Gustave. Ik weet niet of ik me de ondertoon van spot die ik altijd onder het eerbiedige oppervlak van die woorden meen te proeven inbeeld of niet. Ik hoor geregeld dat het een vrouw niet betaamt om van iemand als hij te houden. Mogelijk geniet ik een twijfelachtige uitzondering omdat ik vrouwenkleren altijd zo ingewikkeld heb gevonden: satijnen kooien, fluwelen traliewerk, de dijen gevangen in lawines van onderrokken – ik zwijg van de baleinen. De verrukking toen ik die lillende berg textiel verruilde voor een strak zittend pak, een goed gesneden lange broek, valt haast niet te beschrijven. Eindelijk niet meer hoeven op te letten of ik ergens met een mouw hier, een reep kant daar bleef haken. En mijn laarzen… Ik had erin geslapen, had ik gekund, zoals mijn broer toen hij nog een kind was.
‘Mijn eerste liefde?’ zei hij me ooit toen ik hem ernaar vroeg. ‘Een paar laarzen! We waren onafscheidelijk.’
Niettemin.
Niettemin zijn het mijn gelijken: kunstenaars, schrijvers, componisten, wijsgeren – zij die ikzelf althans als mijn gelijken beschouw – die het felst hun tong roeren. Een mannenverslindster, een vampier die het merg uit de botten van haar minnaars zuigt om haar boeken te voeden, ik weet wat ze over me zeggen.
Ik maal er niet om. De smalle stalen hakjes van mijn elegante laarzen planten me ferm op het plaveisel. In mijn jongere jaren rende ik van de ene kant van Parijs naar de andere. Het voelde alsof ik rond de hele planeet had kunnen hollen. Niemand merkte me op. Ik droeg mijn kleren zoals het een heer betaamde. Als meisje had ik mezelf er al in getraind om er zo banaal mogelijk gekleed bij te lopen en als vaste gelaatsuitdrukking een zekere domheid uit te stralen, om geen argwaan te wekken. Wil je niet opvallen als màn, dan moet je eerst leren om niet op te vallen als vròuw.
Hij vertelde me eens dat hij als onderdeurtje van zes of zeven een meisje dat een van zijn eerste verliefdheden had uitgelokt, van die kalverliefdes die het lichaam rillingen van koorts bezorgen, letterlijk zijn hart had willen toesturen. Hij zag het voor zich, warm, kloppend in het stro van een mand liggen, een oestermand notabene.
Het zou de eerste en enige keer zijn geweest dat hij het aan een ander had gegeven. Ik ben er nog altijd niet uit of het nu poreus is, open voor alles wat de wereld erin werpt, om het in een klinisch mededogen te dompelen, dat hart van hem, of een donkere krocht waarin alles wat hij tot zich toelaat op slag bevriest.
Je mag nooit iets van wat je beroert achterlaten in wat je schrijft, meent hij. Dat begrijp ik totaal niet. Mij lijkt het juist dat je er niets anders in kùnt achterlaten.
Kun jij werkelijk geest en hart van elkaar scheiden, Gustave? Zijn dat twee verschillende zaken? Kan een gevoel zichzelf afbakenen, een gedachte haar eigen grenzen bepalen, een wezen, toch zeker het mijne, zich in tweeën splijten? Jezelf niet volkomen weggeven in je werk lijkt me even ondoenlijk als huilen met iets anders dan mijn ogen, of denken met een ander orgaan dan mijn brein.
Ik ben allicht te scherp, al paar ik mijn genegenheid graag aan een lucide blik.
De uren die hij aan beminnen weggeeft, vindt Gustave verloren tijd, bemind worden al evenzeer. Mocht hij ergens een onwettig kind hebben, ik zou hem aanraden het te erkennen, het groot te brengen. Kinderen leren je beter te bukken, is mijn ervaring. Het doet goed de wereld op hun ooghoogte te bezien. Altijd dat eeuwige ik moeten bewonen, de meest veeleisende, capricieuze en tirannieke gezel die ik ken, verstikkend vind ik het. Liever keer ik na een tijdlang mezelf verloren te hebben weer naar mezelf terug. Verheugd stel ik dan vast dat alle boeken in mijn vertrekken nog op dezelfde bladzijde openliggen. Ik wilde dat ik zeeschuim kon zijn, hierheen, daarheen klotsend op de golven, en dan weer in mijn vertrouwde gestalte aan land komen, met vissenschubben in mijn lokken.
Gustave dreigt tot een zurige mensenhater te verworden, hij die in de lemen homp van zijn lijf zo gevoelig is, zo inschikkelijk.
‘Je sluit je exuberante natuur op in een kerker,’ zeg ik, met mijn ongeneeslijke moederlijke bezorgdheid voor mannen als hij. ‘We leven in woelige tijden, de wereld herschikt zijn continenten. Je kunt het lijdzaam ondergaan en alles vervloeken, of je overwint je walging en laat je hart van mededogen bloeden. Het zal je toch nooit lukken een totale misantroop te worden. Kijk toch eens om je heen. Al dat leven dat rondom ons krioelt. Je bent de enige zwarte schaduw op mijn ziel. Sla die blauwe ogen van je op en blik in het zonlicht, even maar – ik wil niet dat je blind wordt. Neem desnoods een maîtresse en leg de pen opzij. Je slibt dicht in eruditie.’
Niet dat hij luistert.
Hij wil geen natuurmens zijn. Hij is te verslingerd aan de kleinzerigheden van ons bestaan om ze te laten gaan. Maar we zìjn natuur, in alles, tot in onze atomen. Wat is dat, talent, de wil, genie – alles wat het menselijke gesnater zo graag met ‘Ja, maar’ tegemoet treedt om het in de kiem te smoren? Een natuurfenomeen, zoals er bergen zijn, kinderen, vuurmeren of windhozen. Ga naar buiten, Gustave. Het is aan de wolken om ons op te frissen.
Hij verliest zich in zijn boeken, antwoordt hij dan. ‘Ik raak erin verspreid. Ik word een mozaïek. Wanneer ik dood zal zijn, zal ik het nog meer worden, en jij al evenzeer, en iedereen. Men zal aandoenlijke tegelvloertjes compileren uit onze woorden, en wat geeft het? Er zijn dagen dat ik me totaal niet van mezelf bewust ben. En wat trouwen betreft, ik heb voor de vrouw nooit een plaats in mijn leven voorzien. Ik vind mezelf ook veel te fatsoenlijk om een ander een leven lang mezelf aan te doen. Ik ben een monnik, je weet het.’
We zijn twee totaal andere werelden, wier dampkringen elkaar soms raken. Hij schrijft om zijn lezers aan hun verlatenheid te herinneren, ik om ze ervoor te troosten.
Wanneer ik zijn woorden lees, lijk ik aan boord te gaan van een galjoen gebouwd op de maat van zijn nieuwsgierigheid, die geen grenzen schijnt te kennen en vanuit zijn schier onmetelijke brein om zijn kalende schedel knettert.
Zelf heb ik nooit de moed gehad om zo groots in te schepen, in het schrijven niet, en als ik eerlijk mag zijn evenmin in het leven, hoe stormachtig velen het mijne ook vinden. Ik verken liever vanop een mosselschuit de kustlijnen van lichamen en levens, of nog liever te paard.
We bewegen ons op verschillende isothermische lijnen, hij en ik. Geluk laat hij niet toe. Met zijn hang om alles wat hij ervaart te analyseren, houdt hij het op een armlengte afstand. Ik weet niet of hij het beseft. Hij heeft iets arctisch, een beer voorzien op lange periodes van vorst, ruig en zacht tegelijk, als de vacht van het vervaarlijke dier op de vloer van zijn schrijfhok. Kou lijkt hem niet te deren, terwijl mijn gewrichten altijd naar hitte snakken. Ik zou een hagedis willen zijn, die op een leisteen in de zon roerloos de hitte op zijn schubben laat dansen.
Ik ga aan boord van zijn zinnen, snuif zijn onbekende lucht op en word verliefd.
Op wie?
Op wat?
En wat ruikt hij, in mij?
Hij heeft niet langer het gevoel dat het leven altijd weer op ontluiken staat, zegt hij. De uitzinnige lente met al haar bloesems slaat hem met een soort van perplexe verstomming. Alles loopt uit en kijkt met een ridicule verbazing in het rond – walgelijk, volgens hem.
Hij zegt zo veel.
‘Je houdt te veel van de literatuur,’ antwoord ik hem. ‘Ze zal je om het leven brengen en zelfs voor jou is er in de hele wereld geen inkt genoeg te krijgen waarmee je de menselijke domheid kunt uitroeien. Laat de snaren van je lier eens door de wind bespelen. Je zou jezelf meer moeten toestaan dat het Andere het overneemt.’
Hij snuift, van minachting of omdat hij de suggestie absurd vindt, te mystiek. Of misschien treffen mijn observaties doel.
‘De dichter loopt de schrijver in je voor de voeten,’ werp ik hem toe, ‘en de schrijver de dichter. En je ontzegt je de genade door het Onbekende in jezelf te verwerpen.’
Natuurlijk negeert hij observaties als deze.
Ben ik heimelijk jaloers op zijn onaantastbaarheid?
Ik hoor hem door het bos van zijn proza wandelen, waarin al zijn zinnen zich als bladeren roeren, het ene even eigen en onderscheiden als het andere, ondanks hun gelijkenis.
Hij ruikt naar regenwouden, naar steppen en woestijnstof, naar verbrokkelde piramiden, zandplaten, asfaltmeren en de watervallen van de Nijl. ‘Jou behoren de verten toe,’ zeg ik hem. Maar hij antwoordt dat hij zijn leven wil besteden aan het schrijven van die harmonieuze zinnen die alle assonanties mijden.
Mijn benedictijn, noem ik hem dan.
‘Je oude troubadour,’ fluistert hij.
Ik glimlach flauwtjes.
‘Je hebt de stommiteit begaan,’ antwoord ik, ‘ooit jong te zijn geweest.’