Mijn moeder heette Caroline. Natuurlijk heette ze Caroline. Het was bijna een erfelijke ziekte bij ons. Ik heb haar nauwelijks gekend: ze stierf twee maanden na mijn geboorte. Dat hebben ze me later pas, zoals dat heet, ‘tactvol’ verteld. Het was een immense klap. Nog maar kort tevoren was mijn opa gestorven. Oom Gustave verloor nu ook zijn zus, oma haar dochter en ik mijn moeder. Het huis kromp in elkaar van de ellende – dat zijn natuurlijk Gustaves woorden. Onze familie was verminkt.
Mijn arme moeder ken ik dus alleen uit wat de familie me over haar vertelde, uit haar brieven en uit de herinneringen van mensen die haar nog hadden gekend. Oom sprak over haar met een tederheid die, hoe zal ik het zeggen, niet tot zijn dagelijkse bezigheden behoorde. Hij hield haar ook dicht bij zich. Haar buste stond tot zijn eigen dood in zijn werkkamer en keek als het ware lieflijk op zijn arbeid neer.
Caroline Flaubert-Hamard, door James Pradier, 1846
Buste naar haar dodenmasker.
Mijn moeders stem heb ik dus nooit gehoord, haar warmte niet gevoeld, haar geur nooit geroken. En schrijven deed ze ook niet zo vaak, raar genoeg voor onze tijd. Maar in haar brieven vond ik soms een sprankel van haar geest terug. Zo schrijft ze in de zomer van 1845 aan mijn oom, nostalgisch over Croisset: ‘Er gaat haast geen moment van de dag voorbij zonder dat de boot, de vaarboom en het smalle beschaduwde pad door mijn hoofd spoken. Ik denk terug aan al onze kleine wandelingen van vorig jaar, aan de kussen die ik Muffle toewierp en die jouw goedige gezicht aan het lachen maakten, en vooral aan het gekras van de kraaien, dat iedereen verafschuwt en mij juist zoveel plezier doet.’ Als ik dat lees, dan mis ik haar, nog altijd.
Op 15 maart schreef oom Gustave aan zijn vriend Maxime Du Camp: ‘Caroline praat, glimlacht, liefkoost ons en zegt tegen iedereen lieve, hartelijke dingen. Ze verliest haar geheugen, in haar hoofd raakt alles verward.’ Mijn vader stond te snikken bij de schoorsteen. Mijn grootmoeder was, schreef Gustave, ‘een huilend standbeeld’.
En dan sta ik zelf ineens in zijn brief: ‘Het kleine kind drinkt en krijst. Achille (dat is mijn andere oom) zwijgt, hij weet ook niet wat hij zou moeten zeggen. Wat een huis! Wat een hel!
Een week later was mijn moeder dood. Ze was eenentwintig. Mijn vader werd letterlijk gek van verdriet. Ook hem heb ik dus nooit echt gekend.
Georges-Antoine Rochegrosse, Landschap voor het huis van Flaubert in Croisset, 1874,