En dan Julie. Ach, Julie. Onze dienstmeid, huishoudster, kokkin, verhalenvertelster en het levende geheugen van Croisset. Eigenlijk heette ze Caroline – nóg een Caroline, jawel. Ik heet Caroline, mijn betreurde moeder droeg die naam ook, en oma al evenzeer. We wisten nooit welke Caroline het over welke andere Caroline had, dus noemden we haar Julie. Ze was er al toen oom Gustave nog melktanden had en ze wist van iedereen meer dan hun waarschijnlijk lief was: hun gewoonten, hun kuren, hun geheime genoegens en schaamtelijkheden. En vertellen dat ze kon. Als kind hing Gustave aan haar lippen. Veel van wat ik over zijn jeugd heb opgeschreven, weet ik trouwens van haar. Ze heeft ook bijna iedereen overleefd. Misschien was dat wel haar laatste huishoudklus: onthouden wat de anderen niet meer konden navertellen.
Ze had een geheugen als een voorraadkast, vol oude liefdesgeschiedenissen, legenden uit de streek, spookverhalen, anekdotes en in haar jeugd was ze eens een jaar aan haar bed gebonden, waardoor ze meer las dan je van een dienstmeid mocht verwachten. Ze las trouwens beter dan ze schreef. Als kind kon oom uren op haar schoot naar haar zitten luisteren. Misschien is daar ‘die bevlieging’ – oma’s woorden – van hem begonnen. Misschien was Julies schoot niet de wieg van Gustaves schrijverschap, maar alleszins de bron van zijn hang naar verhalen.
Op een ochtend, jaren later, hadden zij en Gustave ehet over vroeger. Ze haalde herinneringen op die, schreef hij me, ‘mijn hart opentrokken als een frisse windvlaag’. Over een dame zei Julie dat ze ‘erg broos was … op het onweerachtige af’. Oom was verrukt. ‘Onweerachtig na broos,’ schreef hij, ‘daar zit diepte in.’ Hij was van plan die zin te gebruiken, zei hij.
Koppig was ze ook. Toen ik in 1874 op Croisset zou komen logeren (ik was intussen getrouwd met een knaap die me eigenlijk door oma en Gustave was opgedrongen) vroeg ze Gustave zo vaak wanneer ‘mevrouw Commanville’ (dat ben ik dus, als eerbare, getrouwde burgerdame mijn familienaam opgofferd hebbende voor die van die plank van een echtgenoot van me) – maar goed, ze vroeg dus zo vaak wanneer ik zou lomen legeren dat Gustave me schreef: ‘Julie blijft me maar vragen wanneer “mevrouw Commanville” arriveert. Nu is ze gerustgesteld. Wat er haar niet van weerhoudt om nog altijd diepe zuchten te slaken, als begeleiding bij haar gemank.’
Op het laatst waren zij en Gustave de laatste twee bewoners van het oude, vervallende Croisset, waar de geesten van de doden de vloerplanken lieten kraken. Ik moet zeggen dat mijn oom, kunstenaar of niet, altijd een reusachtige burgertrut is gebleven. Hij at helemaal alleen in de eetkamer en vroeg soms of Julie na de maaltijd bij hem wilde komen zitten: ‘Mijn behoefte aan tederheid stil ik door Julie na het eten bij me te roepen. Dan kijk ik naar haar oude zwartgeruite jurk – mama heeft die nog gedragen – en denk ik aan die goeie vrouw, tot ik van de tranen een brok in de keel krijg. Dat zijn nu mijn genoegens. Mijn leven is zwaar, eerlijk gezegd. Het jouwe is ook niet gemakkelijk, arm kindje. Maar jij bent jong, en dus sterker. Ik dank je voor je lieve brief van vanmorgen. Die heeft de knoop om mijn hart wat losser gemaakt.’ Ik had het inderdaad ook niet makkelijk. Mijn teergeliefde echtgenoot had me geruïneerd, en Gustave erbij. Croisset zou onder de hamer gaan. Maar goed, Julie had een gouden hart.
Abbaye de Fontaine-Guérard, bij Radepont
In de streek waar Julie vandaan kwam