‘Er zou toch eens gekakt en gescheten moeten worden.’ […] Weet je nog hoe kwistig we die zin gebruikten?’ ‘O pederast! O Flaubert! O mijn vriend! […] De vriend heeft zijn vriend nodig, en de kunstenaar nog meer een vertrouweling.’ – Alfred Le Poittevin aan Gustave Flaubert, 1844
Gustave Flaubert aan Ernest Chevalier (1835), detail. Université de Rouen.
“‘En ben ik thans verhit en heb ik lust kennis te maken met een schoon wijf, en vooraf mijn lid tegen haar dij te wrijven, teneinde mijn geslachtsdelen tot het liefdesspel op te hitsen.’” ‘Schrijf me een lange brief vol onzin terug. Verzin die desnoods zelf, het kan me niet schelen, als je me maar onzin vertelt.’ – Gustave Flaubert aan Ernest Chevalier, 1839
Boordeelscene, Frans, anoniem, ca 1830.
‘Denk aan het respect dat een man met een stijve verdient en schrijf snel.’ […] ‘‘Ik ben zo onvoorzichtig geweest acht dagen geleden naar het bordeel te gaan. Nadat ik het grietje had gebeft, ben ik vertrokken zonder te neuken, nadat ik me had laten aftrekken.’ […] ‘Ik omhels je. Priapus Alfred de Grote.’ – Alfred Le Poittevin aan Gustave Flaubert, 26 november 1843
Auguste Belloc, Drie vrowen op een chaise-longue, ca. 1850
‘Haal ’s nachts streken uit, breek straatlantaarns, maak ruzie met koetsiers, […] socratiseer de hond, schijt in laarzen, pis uit het raam, roep “stront”, schijt dun, laat harde scheten, rook stevig.’ ‘‘Ik feest op oranjebloesemwater, prop me vol pillen, laat me socratiseren door de klisteerspuit en heb onder mijn huid een stijve halskraag zitten. Wat een wellustig bestaan!’’– Gustave Flaubert aan Ernest Chevalier, 1842 en 1844
Ik verzoek de heer Le Poittevin junior de bode zijn twee delen Horatius mee te geven.
Instituut in de rue du Plâtre (externaat).
Aanhoudend sodomitisch verlangen, eerste prijs – na mij: Morel.
Stijve in de broek, eerste prijs: Morel.
Hitsigheid, eerste prijs: Morel.
Eenzame masturbatie, prijs: Rochin.
Berucht cafébezoek, prijs: Morel.
Koteletten, eerste prijs: Fargeau.
Horlogerie, eerste prijs: Morel, reeds genoemd.
Buitensporige onzedelijkheid van de blik, grote prijs: Morel.
Kledingkennis: Morel en Fargeau, ex aequo.
Boeventronie, eerste prijs: Fargeau.
Goed gedrag: de tondelverkoper.
N.B. – Het bed uit de rue du Plâtre zal in het Venusmuseum worden ondergebracht.
Homo-erotische ansichtkaart, detail 19° eeuw, anoniem.
Homo-erotische ansichtkaart, detail, 19° eeuw, anoniem.
Bordeelscene, anoniem, ca 1830
Homo-erotische ansichtkaart, detail, 19° eeuw, anoniem.
‘We hadden voortdurend een onstuimige zee. […] Ik heb veel gekotst en me acht keer afgetrokken.’ – Maxime Du Camp aan Gustave Flaubert, 30 april 1851
‘Gisteren bijvoorbeeld, beste meneer, waren we in het bordeel. Maar laten we niet op de feiten vooruitlopen.’
‘Eergisteren gingen we naar een vrouw die ons twee andere vrouwen liet neuken. Het vervallen appartement, waar de wind langs alle kanten doorheen blies, werd verlicht door een nachtlampje. Door het raam zonder ruiten zag je een palmboom, en de twee Turkse vrouwen droegen zijden kleren met gouddraad. Hier verstaan ze de kunst van het contrast: schitterende dingen glanzen in het stof.
Ik neukte op een mat waar een nest jonge katten voor opzij schoof. Vreemde coïtus, zo’n vrijpartij waarbij je elkaar aankijkt zonder met elkaar te kunnen praten. De blik wordt dubbel scherp door nieuwsgierigheid en verbazing.
Veel genoten heb ik overigens niet, mijn hoofd was te opgewonden. Die kaalgeschoren kutten geven een vreemd effect. Verder hadden ze vlees zo hard als brons, en de mijne had een bewonderenswaardige kont.’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, Caïro, 1 december 1849.
Tempel van Abu Simbel, foto door Maxime Du Camp, 1850
De sfinks in Giza, foto door Maxime Du Camp, 1850
‘Alleen voor jou: ‘Op de weg van Caïro naar Choubra liep enige tijd geleden een jonge kerel rond die zich in het openbaar door een grote aap in zijn kont liet neuken, om een goede indruk van zichzelf te geven en de mensen aan het lachen te maken.’ […] ‘Onlangs is er een maraboet gestorven. Het was een idioot en ging daarom voor een heilige door, voor iemand die door God was aangeraakt. Alle moslimvrouwen gingen hem opzoeken en rukten hem af, tot hij van uitputting stierf. Van ’s morgens tot ’s avonds was het één onafgebroken aftrekkerij. O Bouilhet, waarom was jij die maraboet niet!’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, Caïro, 1 december 1849.
Maxime Du Camp, ca. 1849-1851, Foto door Gustave Le Gray.
‘Stel je twee vrij lelijke kerels voor, maar heerlijk door hun verdorvenheid, de moedwillige verloedering in hun blik en de vrouwelijkheid van hun bewegingen, met zwartgemaakte ogen en gekleed als vrouwen.’ […] ‘Soms werpen ze zich helemaal achterover op de grond, zoals een vrouw die gaat liggen om geneukt te worden, en komen dan weer overeind met een beweging van de lendenen als een boom die zich opricht wanneer de wind is gaan liggen.’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, Caïro, 15 januari 1850.
‘Nu we het toch over bardaches hebben: hier staat dat uitstekend aangeschreven. Men bekent zijn sodomie en praat erover aan tafel. Soms ontkent iemand het eerst een beetje; dan scheldt iedereen hem uit en uiteindelijk bekent hij toch. Aangezien wij reizen voor onze ontwikkeling en door de regering met een opdracht zijn belast, beschouwen we het als onze plicht ons ook aan deze manier van klaarkomen over te geven.’ […] ‘Je moet trouwens weten dat alle badjongens bardaches zijn.’ […] ‘Toen mijn kellak bij de edele delen kwam, tilde hij mijn liefdesballen op om ze schoon te maken. Terwijl hij met zijn linkerhand mijn borst bleef wrijven, begon hij met zijn rechterhand aan mijn lul te trekken en herhaalde, over mijn schouder gebogen: “bakshisj, bakshisj” – fooi, fooi.’ […] ‘Max heeft zich onlangs in een verlaten wijk, onder het puin, laten aftrekken en heeft er veel van genoten. Genoeg geilheden.’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, Caïro, 15 januari 1850.
Louis Bouilhet, foto door Étienne Carjat, 1864
‘Op dat ogenblik danste een van onze matrozen – de komiek aan boord – spiernaakt een wellustige dans, die erin bestond te proberen zichzelf in zijn kont te neuken. Om de christelijke monniken weg te jagen, stak hij hun zijn lul en zijn kont toe en deed alsof hij op hun hoofd ging pissen en schijten.’ ‘Kuchuk-Hanem is een zeer beroemde courtisane.’ ‘Plots belandden we, bij het omslaan van een straat, midden in de hoerenwijk. […] Ik ben er rondgelopen en nog eens rondgelopen, gaf ze allemaal een fooi, liet me roepen en aanklampen; ze sloegen hun armen om me heen en wilden me hun huizen intrekken…’ […] ‘Welnu, ik heb niet geneukt – de jonge Du Camp wel – en dat met opzet, om de melancholie van dat mooie tafereel te bewaren en het dieper in me te laten doordringen.’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, 13 maart 1850.
‘Kuchuk-Hanem is een zeer beroemde courtisane.’ ‘Het feest duurde van zes uur tot halfelf, met tussen de bedrijven door telkens een paar neukpartijen.’ ‘ Het is een imperiaal wijf: volle tieten, veel vlees, wijde neusgaten, enorme ogen, prachtige knieën, en tijdens het dansen kreeg ze geweldige plooien van vlees over haar buik.’ […] ‘Het feest duurde van zes uur tot halfelf, met tussen de bedrijven door telkens een paar neukpartijen.’ […] ‘Ik heb haar razend gebeft. Haar lichaam was bezweet, ze was moe van het dansen en had het koud. Ik sloeg mijn pelsmantel om haar heen en ze viel in slaap met haar vingers tussen de mijne.’ […] ‘De derde keer was vooral woest, de laatste sentimenteel. We zeiden elkaar toen heel wat lieve dingen en tegen het einde hielden we elkaar droevig en verliefd omstrengeld.’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, 13 maart 1850.
‘Wat de ondeugd betreft: die neemt af. Het lijkt erop dat ik zijn goede eigenschappen van Du Camp overneem, want ik word een zwijn. Ik voel het diep in mij. Als het brein verslapt, komt de lul overeind.’
Groep van Ghawazi-danseressen (vaak ook sekswerkers), in Egypte, ca. 1880
‘In Beiroet maakten we kennis met een beste kerel, Camille Rogier, directeur van het plaatselijke postkantoor. Hij is een schilder uit Parijs, uit de kliek van Gautier, die daar als een oosterling leeft. Die ontmoeting met een intelligent mens deed ons goed. Hij heeft een mooi huis, een goede kok en een enorme lul, waarnaast de jouwe maar een spijkertje is.’
‘Hij bezorgde ons een ochtend met jonge vrouwen. Ik heb drie vrouwen geneukt en ben vier keer klaargekomen – drie keer vóór het ontbijt, de vierde keer na het dessert. Ik heb zelfs de koppelaarster voorgesteld haar op het einde ook nog een beurt te geven. […] Ik had die uitspatting graag nog aan het geheel toegevoegd, om het werk te bekronen en een goede indruk van mezelf achter te laten.’
‘De jonge Du Camp is maar één keer klaargekomen. Zijn lul deed pijn door een restant van een sjanker die hij in Alexandrië bij een Walachische had opgelopen. Ik heb de Turkse vrouwen overigens geschokt met mijn cynisme door voor het hele gezelschap mijn lul te wassen.’
‘Ik herinner me er één, met kroezig zwart haar en een takje jasmijn in haar haren. Ze rook heerlijk – zo’n geur die recht naar het hart gaat – op het ogenblik dat ik in haar klaarkwam. Ze had een licht opgewipt neusje en wat slaapzand in de binnenhoek van haar rechteroog. Het was ochtend; waarschijnlijk had ze zich nog niet kunnen wassen.’ – Gustave Flaubert aan Louis Bouilhet, Jeruzalem, 20 augustus 1850.
‘N.B. – Onder het zegel van het grootste geheim: Maxime heeft geprobeerd een bardache te sodomiseren in de grot van Jeremia. – Niet waar!
P.S. – Nee! Nee! Het is wél waar. Quid dicis du young?’
Edmond en Jules de Goncourt, ca 1854. Foto Felix Nadar. © Bibliothèque nationale de France, département Estampes et photographie.
‘Wat stelt dat allemaal voor vergeleken met dit,’ roept Flaubert uit, terwijl hij zijn elleboog tegen zijn borst drukt, ‘met de arm van een vrouw van wie je houdt, die je één ogenblik tegen je hart drukt terwijl je haar naar tafel brengt.’
Daudet: ‘Godallemachtig! Dat is mijn genre niet.’
Flaubert, heel onschuldig: ‘Maar Daudet, je weet toch dat ik een zwijn ben!’
Daudet: ‘Kom nou. Met mannen ben je een cynicus en met vrouwen sentimenteel.’
Flaubert, lachend: ‘Verdomd, dat is waar. Zelfs de vrouwen uit het bordeel noem ik “mijn engeltje”.’
‘Vreemd,’ zegt Toergenjev, met bijna bezorgde ogen luisterend. ‘Ik benader een vrouw alleen met een gevoel van respect, ontroering en verbazing over mijn geluk.’ – Edmond de Goncourt, op 5 mei 1876.
‘Altijd weer die vrouwen, klein zwijntje!’ – Gustave Flaubert aan Guy de Maupassant, 25 oktober 1876
Guy de Maupassant, door Nadar ca. 1888
‘Mijn peetvader, mijn oom – hoe moet ik je noemen? Mijn oude aanvoerder, mijn schrijfmeester […]’ ‘U weet dat zonder u niets meer gaat: we zien elkaar niet meer, we vreten niet meer, we brullen niet meer; een heleboel dingen ontbreken.’ – Alphonse Daudet aan Gustave Flaubert, 1 januari 1879
Alphonse Daudet, door Nadar, 1860
‘Illustere heilige,
sinds u een boek over mijn patroon Sint-Antonius hebt geschreven, heeft de hoogmoed hem te pakken. Hij is onuitstaanbaar geworden – erger dan een varken, met alle respect voor mezelf. Hij denkt alleen nog aan vrouwen en allerlei vieze dingen. Hij doet me obscene voorstellen; het is gewoon walgelijk. Kortom, ik kan niet langer bij hem blijven en kom u vragen of u mij wilt hebben.
Ik zal alles doen wat u wilt, zelfs zwijnerijen.
Uw nederige dienaar,
het varken van Sint-Antonius, bisschop.’ – Guy de Maupassant aan Gustave Flaubert, april 1880, satirische brief ter gelegenheid van het feest van Saint-Polycarpe.
‘Mijn jonge vriend, je hebt gelijk dat je van me houdt, want je ouwe houdt zielsveel van jou.’ – Gustave Flaubert aan Guy de Maupassant, 25 april 1880.
‘Ik heb een stijve van jewelste. Vind je het goed dat ik je vanavond meeneem om te eten, en maken we er een olympisch nummertje van?’ […] ‘Tussen de ossenhaas en de tarbot geef ik haar een beurt, met tong en vinger in haar anus erbij; ze raakt zo buiten zinnen dat ze de karaf breekt.’ […] ‘Ze kan niet meer op haar benen staan: ik slok twee glazen Danziger genever achterover en was mijn ding met Bordeaux.’ […] ‘Ze weet niet meer waar ze het heeft; ik geniet van mijn werk en bewonder mezelf in de spiegel.’ […] ‘Ze laat me zweren dat ik er nooit met jou over zal praten, dat beloof ik, maar ik vertel haar dat ik jou ooit elf keer achter elkaar heb zien klaarkomen; dat zal je reputatie geen kwaad doen.’ […] ‘En zo ben ik eindelijk geïnstalleerd in mijn hol, als een eenzaam everzwijn.’ – Maxime Du Camp aan Gustave Flaubert, Bernay, 20 september 1846.
‘Na afloop van de avond slepen ze me mee naar een huis van liefde, waarover de ambassadeattachés spreken als over een paradijs uit Duizend-en-een-nacht.’ […] ‘Tien vrouwen, bont uitgedost in blauw, roze, wit en geel, liggen, hangen en wentelen zich op de divans, met de koketterie van vee en het domme, trillende geschuifel van hun rode muiltjes.’ […] ‘Ze komen allemaal om je heen hangen voor een soda, kussen je voor een soda, likken je voor een soda; sommigen leiden je zelfs rond, tonen je aan de bewondering van de anderen en roepen: “Wat een knappe kerel!” – altijd voor een soda.’ […] ‘En dát is dan die smakeloze losbandigheid! Het plezier en de uitspatting van de hele elegante, welopgevoede, zelfs intelligente jeugd.’ […] ‘Ik ga naar boven, een kamer in: een beroerde herbergkamer in een stad waar de postkoetsen zelfs niet meer stoppen.’ […] ‘Wat! Niet meer dan dit kleine pensionnetje voor de zinnen van de negentiende eeuw? Geen paleis, geen bloemen, geen zingend water, geen feeërieke omgeving, geen schilderingen, geen in gaas gehulde vrouwen – niets van al die pracht die de zinnen van de oudheid uitnodigde, prikkelde en deed ontvlammen en uiteindelijk de deur van het Romeinse bordeel opende.’ […] ‘En ik dacht, heel droevig, dat als Montmartre morgen een Vesuvius werd en Parijs onder zijn lava begroef, de opgravers van toekomstige eeuwen vreemd zouden opkijken wanneer uit de lava of de as het beroemde Priapeion van Parijs tevoorschijn kwam. Het zou het nageslacht doen geloven dat wij een volk van portiers waren dat afwasmeiden, nauwelijks van hun vuil ontdaan, neukte in het decor en de inrichting van een roman van Paul de Kock.’ – Edmond en Jules de Goncourt, Journal, 13 december 1857.
‘Ik ben in een beroerde stemming; ik voel me oud, grijs, kleurloos, nutteloos – en dom. […] Ik vind dat je veel te lang uit Parijs wegblijft. Als ik met je had kunnen praten, was dit allemaal wel weer goed gekomen.’ – Ivan Toergenjev aan Gustave Flaubert, Parijs, 9 december 1876.
Ivan Toergenjev, foto Nadar
Een Egyptische danser in vrouwenkleren. Foto door Wilhelm Hammerschmidt in Cairo ca. 1860-1969
‘Nooit heb ik zo naar iemand verlangd als naar jou. Het gezelschap van mijn beste Toergenjev zal me goeddoen – aan mijn hart, mijn geest en mijn zenuwen.’ – Gustave Flaubert aan Ivan Toergenjev, Croisset, 22 december 1878.
‘Mijn peetvader, mijn oom – hoe moet ik je noemen? Mijn oude aanvoerder, mijn schrijfmeester […] U weet dat zonder u niets meer gaat: we zien elkaar niet meer, we vreten niet meer, we brullen niet meer; een heleboel dingen ontbreken.’ – Alphonse Daudet aan Gustave Flaubert, Parijs, 1 januari 1879.
‘Het is toch idioot dat wij zoveel van elkaar houden en elkaar zo weinig zien.’ – Gustave Flaubert aan Ivan Toergenjev, Croisset, 6 januari 1879.
‘De winter doorkomen zonder u te zien lijkt me onmogelijk. Het is mijn grootste plezier van het jaar om drie of vier maanden lang iedere zondag met u te praten, en ik heb het gevoel dat de zomer niet kan terugkomen zonder dat ik u gezien heb.’ – Guy de Maupassant aan Gustave Flaubert, Parijs, 13 januari 1879.
Wilt u ons nu maar weer met rust laten?
Plan, doorsnede en interieur van een badhuis in Caïro, 1809, New York Public Library
Erotische pentekening (detail), anoniem, 19e eeuw.