Als er één iemand was die oom Gustaves norsigheid kon verzachten, dan was het George Sand wel. Toen hij haar leerde kennen, had ze al een heel leven achter zich. Ik zou zelfs zeggen: meer levens dan u of ik in één kort bestaan hier op aarde kunnen persen. En ze schreef ook romans met de snelheid van het licht, zeker vergeleken met de slakkengang waarmee de pen van oom Gustave over het papier kroop. Waar hij dagenlang aan één alinea kon zitten priegelen, leek bij mevrouw Sand de inkt wel uit de vingers te stromen. De ene roman na de andere, theater, en toen ze maar net vijftig was al meteen haar levensverhaal, waarvan ik me afvraag hoe ze het allemaal geleefd kreeg.

Wonderlijk hoe twee mensen die zozeer van elkaar verschilden elkaar toch vonden. Mevrouw Sand had een groot vertrouwen in de mensheid en in ons vermogen om ons lot en dat van anderen te verbeteren. Als Gustave al iets verbeterde, waren het zijn zinnen, en nog liever die van schrijvers aan wie hij een hekel had.

Hun brieven zijn me dierbaar. Je ziet de twee schrijvers als planeten met een totaal andere dampkring om elkaar heen cirkelen, plaagstoten uitdelen, kibbelen, elkaar bewonderen en troosten – en juist daardoor steeds dichter bij elkaar komen.

George Sand, gefotografeerd door Nadar in 1864

Hun brieven hier helemaal navertellen ga ik niet doen, die zijn onuitputtelijk. Ik zou zeggen , verdwaal er gerust zelf in. Waar ze het allemaal niet over hebben… Politiek, geld, ziekte en de vergankelijkheid, en zo ongeveer alles wat ze op het moment zelf opvalt, ontroert of ergert. Oom Gustave had nooit gebrek aan ergernissen, niet het minst over de staat van de democratie, die hij maar een krukkige oplossing vond na alle revoluties die hij had meegemaakt (of eerder: gadegeslagen). Mevrouw Sand was het daar uiteraard niet altijd mee eens.

‘Je brieven vallen op me als regen die de aarde doorweekt en er meteen uit doet opschieten wat er al in de kiem aanwezig is. Ze geven me zin om op je argumenten te antwoorden, juist omdat ze sterk zijn en tot tegenspraak uitdagen.’ Ze wist hoe ze haar brombeer van een vriend van repliek moest dienen: ‘Mijn wortels ruk je niet uit. Ik verbaas me erover dat je me vraagt dat ze tulpen voortbrengen, terwijl ze je alleen aardappelen kunnen geven.’

Tulpen of niet, oom Gustave bleef haar schrijven: ‘Wat is het lang geleden dat we samen hebben gepraat! Wat jammer dat we zo ver van elkaar wonen! Ik heb u hard nodig.’

‘Of ik je nu zie of niet,’ antwoordde ze, ‘ik weet dat de twee oude troubadours veel van elkaar houden.’

Gustave Flaubert, gefotografeerd door Étienne Carjat, 1860

Wie mevrouw Sand alleen uit haar brieven kent, kent haar eigenlijk maar half. Croisset was het rijk van oom Gustave. Het kasteeltje in Nohant was het hare. Daar schreef ze, ontving ze vrienden en haar, mag ik wel zeggen, nogal talrijke minnaars. Ze voedde er haar kinderen en kleinkinderen op, gaf logies aan schrijvers wier pen stokte of verkouden componisten. Met haar zoon Maurice bouwde ze er een hele wereld om zich heen, waarvan het me nog altijd verwondert dat die in dat mooie, maar bescheiden landhuis paste.

Zullen we even naar binnen loeren?