Mijn grootmoeder, Caroline Fleuriot-Flaubert, was de spil van Croisset. Ik vond haar een warme, lieve oma. Ik weet het, ze kon soms behoorlijk veel aandacht opeisen, en haar talloze kwaaltjes waren voor iedereen een bron van ergernis en besmuikte pret. Maar ze kon ook attent en geestig zijn. Oom Gustave was haar zorgenkind. Dat hij als joch al schrijver wilde worden, bracht haar van haar stuk. Schrijvers zaten toch op koude zolderkamers reuma te krijgen? Welk lot stond haar oogappel te wachten met zo’n ‘roeping’ zoals hij het zelf noemde?
Toen opa stierf, haar steun en toeverlaat, en kort nadien mijn moeder, die ziek werd nadat ze me ter wereld had gebracht, ging oma nog meer op Gustave leunen. Ik bleef met hen achter in Croisset, waar ze me met alle zorg en liefde omringden.
Oma schreef trouwens zelf ook. Iedereen eigenlijk, in onze tijd. Er werd wat afgekrast.
Caroline Fleuriot (1793–1872), echtgenote van Achille-Cléophas Flaubert en Gustaves moeder. Collectie Bernard Molant
‘Gisteren kwam er niemand over de vloer,’ schreef ze bijvoorbeeld in november 1856 aan Gustave. ‘Ik dacht stomweg dat er, omdat ze wisten dat ik hier helemaal alleen was, vroeg of laat wel iemand zou langslopen.’ Wilt u de hele brief lezen? Dat kan, hij bestaat nog.
Oma hield hier de teugels stevig in handen. Ze dirigeerde het dagelijkse reilen en zeilen in en rond het huis, dat ze in haar testament aan mij naliet. Voorwaarde was wel dat oom Gustave levenslang zijn werkkamer, slaapkamer en toiletkamer mocht gebruiken. Tenminste, zolang hij niet trouwde. Dat laatste leek me geen al te zware voorwaarde. Oom Gustave was, zachtjes gezegd, niet van het trouwende type.
Oma hield niet alleen het huis bij elkaar, ze hield ook de centen stevig in het oog. Oom Gustave mocht van haar dan wel door Egypte, Syrië en Griekenland trekken – hij had haar, eerlijk gezegd, ongeveer de oren van het hoofd gezeurd voor ze ja zei – maar ze hield angstvallig zijn uitgaven in het oog. Zij betaalde namelijk. In maart 1851 maakte ze een keurig lijstje van wat ooms escapades haar tot dan toe al hadden gekost: verblijf in Parijs, kosten voor de afreis, extra stortingen, douane, bagage, tabak, enzovoorts. Alles heel precies en precieus genoteerd. Ik hoop maar dat oom zijn zakcentjes, laten we zeggen, ‘verstandig’ heeft gespendeerd. Oma was zó nauwgezet dat we haar lijstje nog altijd hebben. Kijk maar
Croisset, door Caroline Flaubert-Commanville. Uit Souvenirs sur Gustave Flaubert, 1895.
Overzicht van de kosten voor Flauberts reis door het Nabije Oosten (1851), detail. Universiteit van Rouen, Centre Gustave Flaubert
Ze kon ook genadeloos hard uit de hoek komen, oma. Dan was het onweer in huis en ging iedereen schuilen. ‘De razernij van je zinnen heeft je hart verdord,’ beet ze oom Gustave eens toe. Hijzelf vond het een ‘sublieme uitspraak’, schreef hij aan zijn vriend Louis Bouilhet – al vermoed ik dat ze geen bijzonder geneeskrachtige uitwerking op hem had. Ik heb ongeveer alle brieven van oom meermaals gelezen, ook deze dus. Soms met rooie oortjes, ik geef het grif toe. Hij was, zacht gezegd, een stuk vrijmoediger in zijn correspondentie dan zijn broer, Achille.