Mijn grootmoeder, Caroline Fleuriot -Flaubert, was de spil van Croisset. Ik vond haar een warme, lieve oma. Ik weet het, ze kon soms behoorlijk veel aandacht opeisen, en haar talloze kwaaltjes waren voor iedereen een bron van ergernis en besmuikte pret. Maar ze kon ook attent en geestig zijn. Oom Gustave was haar zorgenkind. Dat hij als kind al schrijver wilde worden, bracht haar van haar stuk. Schrijvers zaten toch op koude zolderkamers reuma te krijgen?
Toen opa stierf, haar steun en toeverlaat, en kort nadien mijn moeder, die ziek werd nadat ze me ter wereld had gebracht, ging oma nog meer op Gustave leunen. Ik bleef met hen achter in Croisset, waar ze me met alle zorg en liefde omringden.
Oma schreef trouwens zelf ook. Iedereen eigenlijk, in onze tijd. Er werd wat afgekrast.
‘Gisteren kwam er niemand over de vloer,’ schreef ze bijvoorbeeld in november 1856 aan Gustave. ‘Ik dacht stomweg dat er, omdat ze wisten dat ik hier helemaal alleen was, vroeg of laat wel iemand zou langslopen.’ Wilt u de hele brief lezen? Dat kan, hij bestaat nog.
Caroline Fleuriot (1793–1872), echtgenote van Achille-Cléophas Flaubert, en Gustaves moeder. Collectie Bernard Molant