Franz Xaver Winterhalter, Louise Colet, ca. 1840, potloodtekening. Château de Versailles. Publiek domein.
Wie Louise Colet alleen uit de brieven van mijn oom kent, zou kunnen denken dat ze haar dagen voornamelijk doorbracht met hem te achtervolgen. Gustave heeft, op zijn zachtst gezegd, die indruk niet weggenomen.
Louise was nochtans geen hulpeloos wicht dat toevallig tegen een genie aanliep. Toen ze hem in 1846 ontmoette, was ze dichteres, prijswinnares, salonnière, ambitieus, mooi en uitstekend op de hoogte van al die kwaliteiten. Bescheidenheid behoorde niet tot haar opvallendste talenten, maar waarom zou dat ook? Mannen komen er tenslotte al eeuwen mee weg.
Mijn oom viel als een blok voor haar. Vervolgens ontdekte hij dat een geliefde het hinderlijke gebrek kan vertonen ook echt te willen bestaan. Louise wilde hem zien, spreken, aanraken, opeisen. Gustave wilde haar eveneens – maar liefst op veilige afstand, per brief, niet terwijl hij toevallig een bijvoeglijk naamwoord zat bij te schaven.
Ze kon behoorlijk dramatisch zijn. Hij kon behoorlijk laf zijn. Zij joeg hem na, hij trok zich terug, waarna hij haar vanaf zijn werktafel weer brieven vol hartstocht stuurde. Zodra ze daar geloof aan hechtte, begon het hele gedoe opnieuw.
Het kon niet goed aflopen. Het liep dan ook jarenlang niet goed af.
Misschien maar best dat ik bijna geen van Louises brieven aan mijn oom heb teruggevonden. Anders waren ze waarschijnlijk nog altijd aan het bekvechten.
‘Twaalf uur geleden waren we nog samen,’ schreef oom haar. ‘Gisteren om deze tijd hield ik je in mijn armen… herinner je je dat nog? Wat lijkt het alweer ver weg. […] Je kleine pantoffeltjes staan hier terwijl ik je schrijf. Ik heb ze voor me en kijk ernaar. Alles wat je me gegeven hebt, heb ik zojuist opgeborgen, alleen en achter gesloten deuren. Je twee brieven zitten in het geborduurde zakje; zodra ik de mijne verzegeld heb, ga ik ze opnieuw lezen.’
Een half jaar later klonk het al ietsje anders: ‘Je wilt weten of ik van je houd, om in één klap de knoop door te hakken. Maar dat is een te ruime vraag om met ja of nee te beantwoorden. […] Voor mij staat de liefde niet, en hoort ze ook niet, op de eerste plaats in het leven. Ze moet in de achterkamer blijven. Als liefde het hoofdgerecht van het bestaan is: nee. Als smaakmaker: ja.’
Een paar jaar later begonnen ze opnieuw. Of beter: ze begonnen opnieuw met elkaar. Intussen lag Madame Bovary op Gustaves werktafel, zodat Louise voortaan niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn opvattingen over literatuur over zich heen kreeg. Mijn oom schreef haar soms alsof hij tegelijk haar minnaar, haar docent en een natuurverschijnsel was.
‘Wat mij mooi lijkt, wat ik zou willen maken, is een boek over niets, een boek zonder enige band met de buitenwereld, dat uit zichzelf overeind blijft door de innerlijke kracht van zijn stijl, zoals de aarde, zonder ergens op te rusten, in de ruimte blijft hangen; een boek dat haast geen onderwerp heeft, of waarin het onderwerp tenminste vrijwel onzichtbaar is, als zoiets mogelijk is. De mooiste werken zijn die waarin het minst aan materie zit: hoe dichter de uitdrukking de gedachte benadert, hoe nauwer het woord zich eraan hecht en erin verdwijnt, des te mooier is het. […] Daarom bestaan er geen mooie of lelijke onderwerpen en zou je, vanuit het standpunt van de zuivere Kunst, bijna als axioma kunnen stellen dat er helemaal geen onderwerpen bestaan: de stijl is op zichzelf een absolute manier om de dingen te zien.’
‘Gustave… hij houdt alleen voor zichzelf van me. Uit egoïsme. Om zijn driften te bevredigen, om me zijn teksten voor te lezen. Of ík iets voel, of ik er vreugde uit haal – dat kan hem niets schelen. Mijn tranen? Mijn armoede? Geen woord van troost […] Hij houdt van me op zijn manier, en mijn klachten veranderen daar niets aan. Toch kan ik niet van hem loskomen. Naast alle anderen blijft hij de enige.’
Wie Louise nu al tot wachtpost bij de brievenbus heeft gedegradeerd, doet haar tekort. Ze schreef zelf – en niet weinig ook. Gedichten, toneel, romans, reisverhalen, artikelen. Ze hield salon, mengde zich in politieke kwesties en trok later op eigen houtje door Italië en het Oosten. Gustave mocht dan een hardnekkige hoofdrol in haar liefdesleven spelen, hij nam niet de hele bühne in.
Adèle Grasset, Louise Colet met haar dochter Henriette, 1842, olieverf.
Pierre-Henri Révoil, De kunstenaar tekenend bij de fontein van het kasteel van Servanes, Louises ouderlijke domein, potlood, pen en grijze inkt en grijze wassing op papier, 19de eeuw
Hier begon het, min of meer. In Servanes, het kasteel in de Provence waar Louise als kind met haar familie de zomers doorbracht en waar ze later ook een tijd woonde. Ze las er gulzig, trok er vaak alleen op uit en schreef er haar eerste verzen. Nog vóór Parijs, de salons, de prijzen en mijn oom was er dus al een meisje dat schreef – en dat van plan was daarmee door te gaan.
Eenmaal in Parijs wachtte Louise niet tot de literaire wereld zo vriendelijk was haar te ontdekken. Ze maakte zichzelf wel bekend. Ze bestookte de uitgevers tot Dumont in 1836 haar eerste bundel, Fleurs du Midi, uitgaf, en begon vervolgens dezelfde bescheidenheid haar plaats in het Parijse literaire leven op te eisen.
Marie-Alexandre Alophe, Mme Louise Colet, 1843, lithografie. Maison de Victor Hugo – Hauteville House, Paris Musées
Eenmaal binnen in het Parijse literaire leven zette Louise de deur zelf wagenwijd open. In haar salon in de rue de Sèvres ontving ze op donderdag en zondag zowat iedereen die ertoe deed of dacht dat hij ertoe deed: Théophile Gautier, Alexandre Dumas, Charles Baudelaire, Nadar, Eugène Sue, Charles-Marie-René Leconte de Lisle… Na de staatsgreep van 1851 werd haar huis een trefpunt van de liberale oppositie. Als ik dat allemaal opsom, voel ik me naast haar een kneus. Louise hield niet alleen salon. Ze hield zich ook intens met de wereld bezig.
Parijs bleek haar op den duur ook te benepen. In 1859 trok Louise naar Italië, midden in de strijd om de eenwording van het land. Ze bleef er bijna twee jaar, ontmoette er onder anderen Alessandro Manzoni, Camillo Cavour en Giuseppe Garibaldi, en schreef uitvoerig over wat ze zag. Tegen die tijd ben ik maar opgehouden mezelf met haar te vergelijken.
Franz Wenzel Schwarz, De intocht van Giuseppe Garibaldi in Napels, 7 september 1860. Ingekleurde lithografie, ca. 1860.
‘Zo trof ik Turijn aan toen ik er op 31 maart 1860 aankwam. Heel Italië leek er samen te stromen; het was alsof de grote ziel van het land er eindelijk vrij kon ademhalen. De huizen puilden uit van de bewoners, de hotels zaten afgeladen vol. Overal werden vlaggen opgehangen en in de straten hing een uitbundige sfeer: opwinding, levenslust en een bijna koortsachtig patriottisme.’
Italië achter de rug, en dus naar huis? Natuurlijk niet. Op 7 oktober 1869 stond Louise ’s avonds in de Gare de Lyon klaar voor de trein naar Marseille, het begin van een nieuwe reis die haar uiteindelijk naar Egypte zou voeren. Ik begin me af te vragen of ze haar koffers ooit helemaal uitpakte
Jean-Léon Gérôme, Avondgebed in Caïro, 1865, olieverf op paneel. Hamburger Kunsthalle, Hamburg.
‘We trekken eerst door de drukste handelsstraten van Caïro. Ze zijn smal en voor een Europeaan bijna even onontwarbaar als het labyrint van Venetië. Voetgangers en rijtuigen krioelen er door elkaar; overal zie je andere gezichten, andere kleren. Ook de talen vermengen er zich: gebroken Frans, alledaags Italiaans, allerlei vreemde klanken, en daar tussendoor het keelachtige Arabisch. […] De Turkse en Arabische kooplui zitten intussen onverstoorbaar met gekruiste benen in hun winkeltjes hun chibouk te roken, terwijl de mensenstroom voor hen voorbijgolft. En wie naar boven kijkt, ziet boven de doeken die de zon tegenhouden kleine terrassen waar vrouwen bloemen verzorgen. Af en toe loopt er over de rand wat water uit een gieter en krijgt een voorbijganger het op zijn hoofd.’
Terug uit Italië en Egypte schoof Louise alweer aan de schrijftafel.
In 1859 had ze al Lui gepubliceerd, midden in een kleine literaire oorlog. George Sand schreef Elle et lui over haar verhouding met Alfred de Musset, Mussets broer antwoordde met Lui et elle, en Louise vond dat er nog wel een stoel vrij was. In Lui kregen Musset, Sand én Gustave elk hun beurt, onder een andere naam maar zonder al te veel vermomming en met enkele flinke vegen uit de pan. Gustave, dunnetjes gemaskeerd als Léonce, komt er niet te best van af, met zijn ‘monsterlijke persoonlijkheid, die in eenzaamheid almaar verder aanzwemt, als de piramiden in de woestijn door steeds nieuwe lagen steriel zand die hen beklemmen.’
De reacties waren niet mals. Louise evenmin: ‘Men heeft geprobeerd me omwille van dit boek te breken. Dus hef ik het hoofd. Ik raap de handschoen op die men me heeft toegeworpen.’
Louise Colet in 1874. Fotograaf onbekend. Particuliere collectie.