Zo. Caroline heeft me dan toch de sleutel gegeven. Heel vriendelijk van haar. Een sleutel is tenslotte een gevaarlijk klein voorwerp: voor je het weet gaat er een deur open.

Komt u binnen. Juliet Herbert. Over me is verrassend weinig bekend, maar dat heeft tot dusver niemand belet om van alles over mijn persoontje te veronderstellen.

Milman’s Row, Chelsea, Walter William Burgess, 1894. Hier groeide Juliet Herbert op. Haar moeder had er een school waar meisjes werden voorbereid op een bestaan als gouvernante. Bits of Old Chelsea. A Series of Forty-One Etchings, Londen, 1894.

Nu goed, u wilt natuurlijk ook wel weten wie ik was. Engelse gouvernante, om te beginnen. Ik kwam in Croisset terecht om Caroline les te geven en bleef lang genoeg om deel van het meubilair te worden – al heeft niemand eraan gedacht me ook behoorlijk te inventariseren.

Ik gaf les, las veel, hield mijn ogen open en raakte nogal gehecht aan de mensen bij wie ik terechtkwam. Later gaf ik opnieuw les, schreef ik naar vroegere leerlingen, vroeg naar hun kinderen en bewaarde ik mijn belangstelling voor mensen langer dan sommige biografen hun belangstelling voor mij.

Een portret hebt u overigens niet van me. Zelfs op de familiefoto’s ben ik spoorloos. U zult het dus zonder mijn neus moeten stellen. Dat zullen we wel overleven, denk ik.

James McNeill Whistler, The Rag Shop, Milman’s Row, ca. 1887. Ets. De lompenwinkel laat zien dat Juliet Herbert in een eerder verpauperde buurt opgroeide. The Fitzwilliam Museum, Cambridge.

James McNeill Whistler, Chelsea Shops: Yellow and Grey, 1884. Olieverf op houten paneel. Een zicht op enkele winkels aan Cheyne Walk in Chelsea, de Londense buurt waarin Juliet Herbert opgroeide. Freer Gallery of Art, Smithsonian’s National Museum of Asian Art, Washington, D.C.

En dan Gustave. Ja, ik weet waarvoor u gebleven bent.

Waren we geliefden? Het nageslacht blijkt in zulke zaken opmerkelijk nieuwsgierig. Gustave zelf liet tegenover zijn vrienden weinig twijfel bestaan over wat hij van mijn vrouwelijke charmes vond. Wat ik daarvan vond, heeft helaas niemand opgeschreven.

We bleven elkaar bijna twintig jaar zien – in Croisset, Londen en Parijs. Dat is een hele tijd voor een voetnoot. Of ook een hele tijd voor een liefdesgeschiedenis, als u dat liever hoort.

Meer krijgt u voorlopig niet van me.

Gustave oefende zijn Engels met me. Ik schreef hem in het Frans. Een aanvaardbare regeling, al vrees ik dat Shakespeare er het meest onder geleden heeft.

Mijn brieven aan hem zijn verdwenen. Maar een paar notities bleven wel bewaard. Onder meer die over de Calves’ Head Club, die hij voor zijn werk nodig had.

En daarin staat een woordje waar men later verrassend veel belangstelling voor heeft gekregen: tu. Alsof een Engelse gouvernante niet één klein Frans voornaamwoord kan gebruiken zonder de biografen in beroering te brengen.

‘…les détails des dîners sont à peu près

les mêmes que ceux que je   t’ai   déjà envoyés.’

Begrijpt u geen Frans? Ik vertaal even: ‘… de bijzonderheden over de diners zijn min of meer dezelfde als die welke ik je al eerder heb gestuurd.’

Daar hebt u het. Eén t. Eén je, geen u of vous… De rest laat ik aan uw verbeelding over.

Ik vertrok uit Croisset. Dat klinkt definitiever dan het was.

Er kwamen andere huizen, andere leerlingen. Kinderen werden groot, trouwden, kregen zelf kinderen – en soms mocht ik ook die weer iets proberen bij te brengen. Zo gaat dat wanneer je gouvernante bent: je ziet de tijd zijn melktanden verliezen.

Gustave intussen schreef verder. En werd beroemd. Ik geloof dat hij dat laatste minder ernstig nam dan de rest van de wereld. Maar we verdwenen niet uit elkaars bestaan. Hij borg me niet op in een van zijn laden, zoals zovele anderen. Ik wist dat ik hem ruimte moest gunnen.

Lyndon Hall, Rutland. Juliet Herbert werkte hier als gouvernante voor de familie Conant. Op de zolder van het huis bleven enkele van haar brieven bewaard, opgeborgen in een grote kist. Kort vóór hun publicatie in 2012 werden ze daar teruggevonden. (Alan Murray-Rust, 2016. CC BY-SA 2.0.)

Hier werkte hij.

Als hij aan die tafel zat, wist ik dat ik hem met rust moest laten.

Tenzij hij om mijn gezelschap vroeg.

Georges Rochegrosse, de schrijfkamer van Gustave Flaubert, aquarelschets (1874)

U denkt misschien dat schrijven een stil beroep is. Bij Gustave niet.

Een zin moest niet alleen goed op papier staan. Hij moest klinken. Gustave las hem hardop, hernam hem, beproefde hem opnieuw en opnieuw, tot zijn keel protesteerde en de zin het voor gezien hield.

Hij noemde dat zijn gueuloir. Hij riep zijn zinnen uit, ik zou het eerder krijsen noemen, terwijl hij in de tuin liep en alle dieren onrustig maakte. Zo testte hij het ritme, de cadans, de klankkleur van een zin. Bekte die niet, of liep hij niet lekker, dan herschreef hij hem, of schrapte hem gewoon. Dat laatste vooral wanneer de zin hem buiten adem bracht. Zo werden er behoorlijk wat van naar het schavot geleid…

‘La tête me tourne et la gorge me brûle d’avoir cherché, bûché, creusé, retourné, farfouillé et hurlé […] une phrase.’

Even vertalen dus: ‘Mijn hoofd tolt en mijn keel brandt van het zoeken, zwoegen op, het graven in, het omwoelen, uitpluizen en brullen […] van één zin.’

Hij had ruimte nodig, ik zei het al.

Gustave Flaubert, Pierre François Eugène Giraud, ca. 1856. Olieverf op doek. Château de Versailles.

U herkent hem nog, hoop ik.

Wat zwaarder geworden. Vermoeider ook. Het haar dunner, de snor nog altijd vol overtuiging aanwezig, maar grijzend.

Kijk naar de ogen. Daar is hij nog helemaal. Die goedige, melancholieke labradorogen.

Zelfs wanneer je Flaubert heet, laat de tijd zich gelden en ben je onderhevig aan de zwaartekracht.

Zullen we hem nu maar alleen laten, de oude beer? Hem in zijn eigen woorden laten verdwijnen, zoals hij zei:

Even vertalen nog: ‘De schrijver moet in zijn werk als God in het heelal zijn: overal aanwezig en nergens zichtbaar.’

Terug naar huis