Zo. Daar bent u weer. Zeg niet dat ik u niet gewaarschuwd heb. Een huis bestaat gelukkig niet alleen uit wat heren elkaar achter gesloten deuren toevertrouwen. In Croisset werd ook gegeten, ontvangen, gerekend, geruzied, gewacht, gelachen en helaas ook gestorven. Mijn oom schreef er, uiteraard. Maar ondertussen ging het leven gewoon door.
Ik heb dat huis als kind gekend, later als vrouw, en uiteindelijk bleef er voor mij nog iets anders over: oom Gustaves literaire archief beheren. Dat heb ik geweten…
In huis was er eigenlijk maar één klok: oom Gustave. ’s Morgens mocht niemand lawaai maken. Pas rond tien uur, wanneer uit zijn kamer een vervaarlijke ruk aan de bel klonk, begon het huis officieel aan de dag. De knecht bracht hem zijn brieven en kranten, een groot glas koud water en een gestopte pijp. Vervolgens tikte Gustave tegen de muur om grootmoeder te roepen. Zij kwam naast zijn bed zitten terwijl hij zijn post las.
Om elf uur verscheen hij aan tafel. Grootmoeder, oom Parain, mijn gouvernante en ik zaten er dan al. Veel at hij niet: eieren, groenten, wat kaas of fruit, zelden vlees, en een kop koude chocolade. Een volle maag, vond hij, was slecht gezelschap voor een schrijver.
Daarna de tuin in en wij achter hem aan, over het lange terras naar het paviljoen aan de rivier, of bij warm weer hogerop, naar de schaduw onder de bomen. Na de middag klonk het: ‘Kom, Caro, tijd voor de les.’ Daarna ging hij aan het werk tot zeven uur. We aten, praatten, en rond tienen trok hij zich opnieuw terug. Dan begon voor hem het beste deel van de dag.
Alleen op zondag werd dat ritme grondig verstoord. Dan kwam Louis Bouilhet en bleef tot maandagochtend. Een halve nacht lang lazen ze elkaar voor wat ze die week hadden geschreven. Geschreeuw, geestdrift, ruzie over een adjectief – en daarna begonnen ze opnieuw. Ik vermoed dat ze dat werken noemden.
Op zomeravonden trokken we vaak naar het paviljoen aan de Seine. We zaten er op het balkon terwijl oom Gustave praatte – en praten kon hij. Intussen werd het donker en verscheen de maan op het water. Het soort tafereel waar dichters graag plechtigstatig van worden.
Soms bleven we er uren zitten, tot grootmoeder begon te hoesten en oom Gustave opstond: ‘Tijd om weer naar de Bovary te gaan.’
De Bovary? Ik had geen idee wat dat betekende. Ik meende dat het een deftige naam was voor zijn bureau.
Mijn lessen waren al even weinig schoolmeesterachtig. Voor geschiedenis kreeg ik Cambyses en Alcibiades op mijn bord. Mijn voornaamste bezwaar was meestal: ‘Maar was hij een goed mens?’ Daarmee bracjht ik oom Gustave raar genoeg mee van zin stuk. ‘Goed… ? Het waren geen zachtaardige knapen.’
Voor aardrijkskunde vertrouwde hij boeken al helemaal niet. Dan nam hij een schop en een emmer water mee naar de tuin en bouwden we zelf eilanden, schiereilanden, baaien en kapen. Pedagogiek à la Flaubert: als een kind iets niet begrijpt, begin dan te spitten.
Later, toen we opnieuw onder één dak woonden, promoveerde ik van leerlinge tot eerste slachtoffer. Na een dag werken kwam oom Gustave graag voorlezen wat hij had geschreven. Soms één bladzijde. Soms één zin. Die zin had hem dan gerust een halve dag gekost en verdiende bijgevolg de ontvangst van een staatsbezoek.
Ik luisterde. Hij las, herlas, proefde ieder woord hardop, schrapte iets, zette het terug en begon opnieuw. Mijn taak was eenvoudig: blijven zitten, ernstig kijken en vooral niet op het verkeerde ogenblik zeggen dat ik het mooi vond.
Een schrijver als Gustave in huis hebben leert je snel dat een voltooide zin geen zin is, maar een gebeurtenis.
Croisset was trouwens zelden lang stil. Er kwam altijd wel iemand aanzetten: familie, vrienden, schrijvers, oude kameraden, jonge bewonderaars – allemaal met trek, tabak en een mening. Ze aten, rookten, praatten door elkaar en wisten doorgaans precies hoe de literatuur, de politiek en de mensheid gered moesten worden.
Oom Gustave vond het heerlijk. Ik iets minder. De mensheid kon wachten; het eten niet
En toen kwam Ernest, mijn eerste echtgenoot. Houthandelaar. Achteraf bezien een beroep met een zekere voorspellende kracht: behalve hout wist hij ook een aanzienlijk deel van ons vermogen voortreffelijk weg te werken. Toen zijn zaken in 1875 instortten, mocht oom Gustave mee de brokstukken betalen. Familie, nietwaar?
Na Gustaves dood moest ook Croisset eraan geloven. Ik verkocht het domein in 1881. Het huis werd gesloopt en op de plek waar mijn oom jarenlang aan zijn zinnen had gevijld, verrees een distilleerderij. In één generatie van literatuur naar sterke drank. Dat heet waarschijnlijk vooruitgang.
Zicht op de zijgevel van Croisset, schets door Carolo, 1925 (vanuit haar herinneringen) (Bibliothèque municipale de Rouen.
Croisset, vooraanzicht, met de Seine, op basis van Carolo’s herinneringen. Caroline’s Souvenirs sur Gustave Flaubert (1895)
Croisset het paviljoen bijd de Seine, op basis van Carolo’s herinneringen. Caroline’s Souvenirs sur Gustave Flaubert (1895)
Het paviljoen aan de Seine, ansichtkaart, niet gedateerd (eind 19e - vroege 20e eeuw)
Albert Lebourg, La Seine à Croisset, près de Rouen, 19e eeuw. Museo Nacional de Bellas Artes, Buenos Aires.
De fabriek waarvoor het landgoed plaats moest maken. Links onderaan asl enige overblijfsel het paviljoen. Gravure van L.Poyet (ca . 1882-1890) Bibliothèque municipale de Rouen.
Het paviljoen vandaag. (Publiek domein)
De manuscripten van Gustave Flaubert in Caroline Flauberts huis, Villa Tanit in Antibes, 1908. Foto gepubliceerd in Le Monde Illustré, 13 juni 1908.
Wat van Croisset overbleef, paste uiteindelijk in kasten: manuscripten, brieven, boeken, papieren. Ik heb ze bewaard, geordend, uitgegeven en mij er dus, zoals fewoonlijk, uitvoerig mee bemoeid. Iemand moest het toch doen?
Maar hier houdt mijn rondleiding op. Voor de laatste kamer geef ik de sleutel graag uit handen – ook al is dat dus bepaald niet mijn gewoonte.
Juliet Herbert wacht op u. Zij heeft oom Gustave gekend op een manier waar ik me als fatsoenlijke nicht verder niet mee zal inlaten.
Juliet, neemt u de sleutel over?