‘En dan is er nog... deze, kuch, kamer.
Mijn oom en zijn vrienden spraken er over litde letteren. Uiteraard. Over kunst, reizen, filosofie. En over vrouwen. En lichamen. En wat heren met vrouwen... of zonder vrouwen... en soms met andere heren... Enfin. En ze schreven er ook over, onder elkaar, in bewoordingen die ik als fatsoenlijke bourgeoise onmogelijk kan herhalen. Al heb ik ze intussen allemaal gelezen. Meer dan eens zelfs. Voor de historische nauwkeurigheid, natuurlijk.
En bordelen. Er zijn ook bordelen. En badhuizen. En allerlei lichaamsdelen die mijn oom makkelijk bij naam kon noemen dan alle onderdelen van een servies.
Efin. Hier is de sleutel.