Mijn oom Achille was een heel ander karakter dan oom Gustave. Samen met mijn arme moeder waren zij de enige kinderen van mijn grootouders die hun kinderjaren overleefden. Over Achille maakte oma zich veel minder zorgen dan over Gustave. Hij kleurde braafjes tussen de lijntjes en werd, net als zijn vader, arts. Hij trouwde ook met een deftige dame uit een goed milieu – daar waren ze bij ons thuis nogal aan gehecht – en kreeg met haar een dochter. Een keurige burgerman dus. Je zou je er geen buil aan vallen. En mocht je dat toch hebben gedaan, dan had hij die vast grondig ontsmet.
Gustave vond dat gedoe met zieke lichamen meer iets weghebben van loodgieterij met menselijke onderdelen, terwijl Achille romans schrijven dan weer net geen mentale aandoening vond. Verder konden ze het best met elkaar stellen.
Achille (links) en Gustave (rechts) Flaubert als jongens, ca. 1835. Potloodschets van hun medestudent Delaunay
Om u een idee te geven van de bloedstollende lyriek van oom Achille: dit schreef hij als student aan oom Gustave: ‘Loop even langs bij mijn boekhandelaar, Place de l’École de Médecine nr. 4, en vraag hem naar het deel van de Encyclopédie anatomique dat hij me nog moet sturen, en naar deel 27 van het Dictionnaire de médecine.’ … ‘Als je tijd hebt, ga dan ook even langs bij de snijzalen, tegenover de rue Hautefeuille. Je herkent het huis wel: de ramen hangen vol met anatomische platen van Bourgery. Vraag daar hoe het staat met de uitgave van zijn Médecine opératoire.’
Hij werd een kundige arts, niet briljant, dat nu ook weer niet. Gustave was een genie in het ontleden van het verschijnsel mens , maar we mogen ons allicht gelukkig prijzen dat hij zijn operaties alleen op papier uitvoerde.